
Huh, wa’s dat nou weer, een KDL? De KDL’s, voluit Kleinstdiesellokomotiven, behoorden tot de kleinste rangeerlocomotieven die ooit bij de Deutsche Bundesbahn (DB) in dienst waren. Meer uitleg over deze compacte Rangierschlepper vind je onderaan deze pagina.
Ons project in aanbouw (AW Statler und Waldorf) is qua tijdperk gesitueerd rond het jaar 1990. De KDL-locjes waren toen al enige jaren buiten dienst en de meeste exemplaren waarschijnlijk al richting de sloper.
Maar in onze zoektocht naar voorbeeldfoto’s van Aw’s en Bw’s (Ausbesserungswerke en Bahnbetriebswerke) kwamen we wel beelden tegen van rijen ‘ausgemüstert’ materieel tegen die op een afgelegen stuk spoor bij zo’n werkplaats hun verdere lot stonden af te wachten. Veel roest, afgebladderde en verbleekte verflagen, met tussen het schroot oprukkend onkruid en berkenbosjes, ja zo’n spoortje zou ook goed bij ons Aw passen.
Uitgelezen kans dus om ook deze schattige voertuigen daar te plaatsen. Meteen ook een goede oefening om te kijken of er met de Anycubic resin-printer ook een compleet lokje kan worden geprint.

Foto: Von Benedictus – Eigenes Werk, CC BY-SA 3.0
Online zijn niet echt hele duidelijke maatschetsen te vinden van deze voertuigen, wel een aantal foto’s, vooral de site www.deutsche-kleinloks.de geeft veel informatie. Aan de hand daarvan heb ik in Tinkercad het locje in 3D getekend. Het zal allemaal niet op de milimeter kloppen, het ging er om een herkenbaar model te maken.

Na heel veel mislukte prints (ik bedoel dus écht heel veel) vond ik eindelijk de juiste instellingen én het juiste resin waardoor de aparte delen konden worden geprint. De losse delen konden zo als een bouwpakketje worden samengevoegd tot 1 model, op deze manier makkelijker met details aanbrengen en het in kleur spuiten van het model. Het leek mij leuk om twee versies te bouwen. Waarvan een met een deurtje van de motorhuif opengeklapt met zicht op het motorblok. Bovendien waren er bij de DB diverse detailverschillen bij deze KDL’s die ik ook in model wilde nabootsen.

Na een laagje primer werd eerst de binnenzijde van de cabine in de juiste kleuren gespoten. De onderkant van de wand is zwart, volgens de foto’s van het grote voorbeeld. Veel moeizaam afplakwerk.


Daarna was het tijd om voor passen en meten met de motorhuif. Bij het merk Plusmodel vond ik passend gaas voor de voorzijde (besteld bij modelbouw Krikke).


Een van de locjes kreeg openstaande deurtjes in de motorhuif. Moest er nog wel even een motorblokje in. Ook dat werd getekend in Tinkercad en geprint met de Anycubic. Met wat los aangebrachte leidingen en voorzien van patina is het een, al zeg ik zelluf, redelijk overtuigende nabootsing geworden waarvan je nadat de huif geplaatst is toch weinig meer ziet.


RAL 3004
Nu kon de motorkap ook met wat lijm vastgezet worden op het chassis. Daarna de ergste naden dichtgesmeerd met wat putty en beide modellen een laagje primer gegeven. Vervolgens op zoek naar de juiste kleur Deutsche-Bundesbahn-rood. Hoewel modelbouwer-F (mede-auteur van deze website) hier al de juiste verf (Gundam nr 22) had doorgegeven besloot ik dat in al mijn eigenwijsheid nog even anders aan te pakken.
3004 Purperrot is de RAL code van de donkerrode kleur die door DB voor diesellocomotieven en kleine rangeerlocs werd gebruikt. Ik werk graag met acrylverf van Vallejo en kleurnummer 70926 zou overeenkomen met DB-rood.
Een proefje met wat wat vlakjes gespoten met zowel Vallejo als met Gundam gaf helderheid. Het potje Gundam geeft vrijwel exact dezelfde tint rood die de firma Lenz gebruikt voor ‘Altrot’ DB materieel, ja precies zoals modelbouwer-F al had ontdekt 😎. Toch is ook Vallejo rood niet verkeerd, op talloze foto’s uit dat tijdperk komt het rood helderder over, veel meer in de richting van het rood wat Vallejo in z’n flesje stopt. Is ook allemaal sterk afhankelijk van de lichtval en de weersomstandigheden natuurlijk.

Raamrubbers
In 3D opzet van het model had ik de raamomlijsting al voorzien van een dikker randje, om zo de raamrubbers weer te geven. Achteraf gezien hadden die randjes ook wel wat sterker aanwezig gemaakt kunnen worden, ze zijn nu, vergeleken met voorbeeldfoto’s, wat te vlak. Zo’n dun randje met een penseeltje schilderen is niet te doen dus na veel tijdrovend snij- en plakwerk werd alles van het model afgedekt behalve die dunne raamrubberrandjes. Daarna een laagje zwart-grijs met de airbrush, alle tape en masking fluid weer verwijderd en klaar waren de randjes.

Na al dit spuitwerk was de volgende stap het aanbrengen van de belettering. In Adobe Illustrator werden de teksten en logo’s samengesteld en gecombineerd met andere witte opschriften die nog van pas gaan komen bij andere projecten. Zo kan een heel A4-vel gevuld worden. Dit PDF-bestand werd bij Printenmetwit geprint op dun waterslide decal papier.

Waterslide decals aanbrengen is een secuur werkje, waarbij veel geduld een schone zaak is. Overal waar een decal moet komen breng ik met de airbrush een laagje glanzende lak aan (ik gebruik Vallejo (Model Air) Gloss Varnish). Dat zorgt er voor dat het dunne laagje film waarop de witte inkt geprint is beter hecht op het oppervlak van het model én minder zichtbaar wordt.
Op het decal-vel wat ik heb laten maken staan altijd meer van dezelfde opschriften dan wat eigenlijk nodig is. Omdat het altijd wel een aantal keer misgaat met het aanbrengen van de decals (scheef geplakt / of: precies in het midden gerimpeld / of: decal blijft wel aan je pincet plakken maar niet op het model, dat soort dingen) heb ik dan nog een paar herkansingen.

Daarna kregen beide locjes een laagje matte lak (Tiefmatter Klairlack van Bergswerk.de) en kon ik beginnen met het verouderen/wheateren/patineren van de modellen. Ik gebruikte een bonte verzameling van Vallejo-kleurtjes voor het onderstel en de wielen, en om de verbleekte rode laklaag te imiteren een sterk verdund laagje wit van Ammo Mig Oilbrusher (i.c.m. Enamel Odourless Thinner). Roestplekken, opgehoopt vuil en hier en daar wat mosvorming werden ook met die oilbrushers aangebracht. Het was een langdurig en intensief klusje waarvan ik vergeten ben om er, tijdens het proces, foto’s van te maken.

Glaswerk
Voor de ruitjes van de cabine werden dekglaasjes (voor onder de microscoop) gebruikt. Dat is natuurlijk prachtig dun (0,13 mm) en lijkt precies op echt glas omdat het euh… ja dus van glas is. Aan de binnenkant van de cabinewand had ik al uitsparingen gemaakt voor deze raampjes. En de daarin passende raamsponning werden ook 3D geprint. Dus: dekglaasje op maat snijden (lichtjes insnijden met krassend gereedschapje, in dit geval een oud boortje, wederom veel dank aan modelbouwer-F voor alle tips), het op maat gemaakte ruitje in de raamopening leggen en vervolgens ‘sealen’ met de raamsponning en wat spaarzaam aangebrachte dotjes lijm.


Laatste details
Van alle 13 gebouwde Kdl’s was er volgens mij geen een gelijk. Op de beschikbare foto’s van het grote voorbeeld heeft elke loc wel weer een afwijkend detail, wat natuurlijk leuk is om na te bouwen. Mijn beide exemplaren hebben onderling andere soorten lampen (frontseinen zo u wilt).

En omdat de machientjes al een tijdje buiten dienst staan heb ik er voor gekozen 1 lamp weg te laten. Eigenlijk ook om het hoekijzer goed te laten zien waarop de lamp gemonteerd was (het kwam namelijk zo mooi uit de 3D-printer).
Eindelijk klaar
Als ervaringsdeskundige 😎 weet ik dat model(spoor)bouw veel doorzettingsvermogen vergt. Meestal is beginnen aan een nieuw project het leukst, het bouw-idee ook werkelijk helemaal tot een (redelijk) geslaagd model afmaken valt niet mee. Natuurlijk, het zijn geen superstrakke high-end modelletjes geworden zoals die door kleinseriefabrikanten in Azië geproduceerd worden. Dat kan ik nou eenmaal niet. Er zijn best wat scheve onderdelen te zien op de foto’s en soms ook wat printraster op de 3D geprinte onderdelen. Maar al lang blij nu dat deze twee modelletjes nu toonbaar zijn.
Nu veilig opbergen zodat ze in een later stadium ergens op AW Statler und Waldorf een plek kunnen krijgen op een zijspoor, samen met wat ander afgedankt materieel.







De KDL’s, voluit Kleinstdiesellokomotiven, behoorden tot de kleinste rangeerlocomotieven die ooit bij de Deutsche Bundesbahn (DB) in dienst waren.
Na de succesvolle proefnemingen bestelde de Deutsche Bundesbahn in 1956 twee seriemachines. In 1958 volgde nog een bestelling van tien extra locomotieven. Daarmee kwam het totale aantal op dertien exemplaren. Verdere productie bleef echter uit, waardoor de KDL een relatief zeldzame locomotiefserie bleef.
De locomotieven waren bijzonder klein gebouwd. De eerste machines hadden een lengte van ongeveer 2,9 meter, terwijl de latere serie-uitvoering ongeveer 4 meter lang was. Het dienstgewicht bedroeg slechts vijf tot zes ton. Ondanks hun compacte formaat waren de locomotieven zeer praktisch voor lichte rangeerdiensten.
De aandrijving bestond uit luchtgekoelde Deutz-dieselmotoren met één of twee cilinders. Het vermogen bedroeg ongeveer 15 pk bij het prototype en 20 pk bij de seriemachines. De kracht werd via een mechanische transmissie overgebracht op beide assen. De maximumsnelheid lag rond de 21 à 22 kilometer per uur.
Gebruik bij de Deutsche Bundesbahn
De KDL’s waren bedoeld voor zeer lichte rangeerdiensten. Ze werden vooral ingezet in Bahnbetriebswerke en Ausbesserungswerke. Daar verplaatsten zij locomotieven, rijtuigen en goederenwagens over korte afstanden. Dankzij de uiterst korte bouwvorm konden zij samen met grotere locomotieven op kleine draaischijven en rolbruggen worden geplaatst. Vooral bij stoomlocomotieven en elektrische treinstellen bleek dit zeer handig.
Vanwege hun afwijkende constructie werden de KDL’s niet als normale locomotieven beschouwd. De Deutsche Bundesbahn classificeerde ze daarom als Nebenfahrzeuge (nevenvoertuigen). De locomotieven kregen aanvankelijk de aanduiding Kdl 01-01 tot Kdl 01-12. Het prototype uit 1953 droeg eerst de naam Kdl 15. In 1968 wijzigde de Deutsche Bundesbahn de nummering naar Kdl 91-01 tot Kdl 91-12. Begin jaren zeventig volgde opnieuw een hernummering, waarbij de voertuigen werden opgenomen in de reeks 91.0001 tot 91.0012.
• Bron: Deutsche Kleinloks – Rangierschlepper Kdl


Geef een reactie